(Tekst geldend op: 14-04-2009)


Besluit van 17 januari 1990, houdende regels betreffende bedrijfsbrandweren

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken van 12 juli 1989, nr. Eproj.88/87/5, directoraat-generaal voor Openbare Orde en Veiligheid, directie Brandweer;

Gelet op artikel 13, tweede lid, van de Brandweerwet 1985 (Stb. 87);

Gehoord de Brandweerraad;

De Raad van State gehoord (advies van 7 november 1989, nr. W04.89.0436);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 10 januari 1990, nr. Eproj.88/87/7, directoraat-generaal voor Openbare Orde en Veiligheid, directie Brandweer;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

Artikel 2

Voor een aanwijzing als inrichting die over een bedrijfsbrandweer moeten beschikken, komen slechts in aanmerking:

Artikel 3

Artikel 4

Artikel 5

Artikel 6

Artikel 7

Indien met betrekking tot een zelfde inrichting naast een rapport tevens een of meer arbeidsveiligheidsrapporten als bedoeld in artikel 2.2b van het Arbeidsomstandighedenbesluit, moeten worden ingediend, dienen de onderscheidene bestuursorganen bij wie de betrokken rapporten moeten worden ingediend, hun activiteiten met betrekking tot de beoordeling van die rapporten zoveel mogelijk op elkaar af te stemmen.

Artikel 8

Op een inrichting die is gelegen op of deel uitmaakt van een bij de krijgsmacht in gebruik zijnd terrein, voor zover er gegevens in het geding zijn waarvan de geheimhouding door het belang van de veiligheid van de staat is geboden, zijn de artikelen 1 tot en met 7 van toepassing met dien verstande dat:

Artikel 9

Artikel 10

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag waarop artikel 13 van de Brandweerwet 1985 in werking treedt.

Artikel 11

Dit besluit kan worden aangehaald als Besluit bedrijfsbrandweren.

Lasten en bevelen dat dit besluit met daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State en aan de Algemene Rekenkamer.

's-Gravenhage, 17 januari 1990

Beatrix

De Minister van Binnenlandse Zaken,

C. I. Dales

Uitgegeven de twintigste februari 1990

De Minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin

Bijlage behorende bij het Besluit bedrijfsbrandweren

inhoud

1.

Inleiding

1.1

Achtergrond en doel

1.2

Opzet

2

Selectiemodel voor inrichtingen

2.1

Algemene model opzet

2.2

Uitvoering eerste selectiestap

2.3

Voorbeelden

2.3.1

Voorbeeld 1

2.3.2

Voorbeeld 2

2.3.3

Voorbeeld 3

2.4

Waardering schaderisico omgeving

3

Beschrijving inrichtingen

3.1

Installaties

3.1.1

Algemene gegevens installatie

3.1.2

Brandbestrijdingsgegevens van de installatie

3.2

Bedrijfsbrandweer

3.2.1

Alarmering

3.2.2

Opkomst en inzet

3.3

De organisatie van de brandweer in het bedrijf

4

Toetsing

5

Samenvatting werkwijze

Literatuur

Appendixen

Referentiescenario’s en voorbeelden

Begrippenlijst

Aanwijzingssysteem AVR

Grenswaarden EVR

Stralingsbelasting bij brand

Drukbelasting bij ontplofbare stoffen

1. INLEIDING

1.1 Achtergrond en doel

In artikel 13 van de Brandweerwet 1985 is aan burgemeester en wethouders respectievelijk de Minister van Binnenlandse Zaken, voor zover het gaat om een inrichting als bedoeld in artikel 8, de bevoegdheid toebedeeld de aanwezigheid van een bedrijfsbrandweer die aan bepaalde eisen inzake personeel en materieel moet voldoen, voor te schrijven voor inrichtingen die in geval van brand of ongevallen bijzonder gevaar kunnen opleveren voor de openbare veiligheid.

Onder de woorden "bijzonder gevaar voor de openbare veiligheid" dient te worden begrepen een situatie waarbij er naar het oordeel van burgemeester en wethouders respectievelijk de Minister van Binnenlandse Zaken als gevolg van geloofwaardige incidentscenario’s binnen de inrichting, een schade in de omgeving van die inrichting kan ontstaan die duidelijk groter is dan de schade die optreedt door mogelijke ongevallen in de betrokken omgeving zelf en waarop de overheidsbrandweer is berekend.

Het Besluit bedrijfsbrandweren geeft in artikel 1 de kring van inrichtingen aan die voor een aanwijzing als bedrijfsbrandweerplichtig in aanmerking komen.

De onderhavige bijlage heeft tot doel richting te geven aan het proces van selecteren, beoordelen en aanwijzen van inrichtingen. De algemene uitgangspunten die zijn gehanteerd, zijn de volgende:

1.2 Opzet

De opzet van de leidraad valt in twee stappen uiteen:

In hoofdstuk 2 wordt het selectiemodel beschreven, de opzet van het selectiemodel en vervolgens de wijze waarop het doorlopen kan worden. In hoofdstuk 3 wordt een model gegeven voor de wijze waarop de inrichtingen kunnen worden beschreven en welke gegevens bekend dienen te zijn voor een verdere beoordeling.

2. Selectiemodel voor inrichtingen

2.1 Algemene model opzet

De selectie geschiedt in twee stappen:

In figuur 2.1. staat schematisch de opzet van het selectiemodel weergegeven. De basislijst van waaruit de selectie plaatsvindt zijn de inrichtingen met een Wet milieubeheervergunning. De eerste globale selectie vindt plaats, indien inrichtingen voldoen aan één van de volgende voorwaarden:

In principe zijn met deze "zeef" alle potentieel relevante inrichtingen geselecteerd, waar sprake kan zijn van bijzonder gevaar door dan wel:

Er is één categorie van inrichtingen die naast deze categorieën nog aanleiding kan geven tot een bijzonder gevaar voor de omgeving. Dit is de categorie van inrichtingen waar grote hoeveelheden brandbare stoffen voorkomen. Hierbij kan worden gedacht aan een bulkopslag van olieproducten, grote opslagen van brandbare vaste stof (hout, plastics, rubber en dergelijke). Daar waar sprake is van vloeistoffen: stoffen met een vlampunt > 21 °C.

Analoog aan de gehanteerde grenswaarden EVR en AVR (appendixen 3 en 4) is er als eerste selectiecriterium een grenswaarde gehanteerd uitgaande van een totaal aanwezige verbrandingsenergie inhoud in de inrichting. Als grenswaarde voor deze stofcategorie wordt aangehouden 100.000 tonolie-equivalenten gebaseerd op een verbrandingswarmte van 46.103 kJ/kg.

De tweede selectiestap betreft de toetsing aan criteria voor de risicobelasting van de omgeving van de inrichting. Het resultaat van deze selectiestap kan zijn dat eerder geselecteerde inrichtingen alsnog afvallen, indien de te verwachten belasting niet tot bijzonder gevaar aanleiding geeft. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen:

Figuur 2.1 Schema selectiemodel

Illustratie 1352.png

2.2 Uitvoering eerste selectiestap

Bij de eerste selectie wordt getoetst of een inrichting aan één van de volgende voorwaarden voldoet:

Indien aan geen van deze voorwaarden wordt voldaan, wordt de inrichting niet geselecteerd.

2.3 Voorbeelden

Hier volgt een aantal voorbeelden van de voorkomende categorieën inrichtingen.

2.3.1 Voorbeeld 1

Benzine-opslag 150.000 ton.

Eerste selectiestap

Volgens het EVR-systeem wordt de installatie geselecteerd.

2.3.2 Voorbeeld 2

Ammoniakopslag 500 ton.

Eerste selectiestap

Volgens het EVR-systeem vindt geen selectie plaats.

Volgens het AVR-systeem wordt de installatie thans niet geselecteerd.

Resultaat eerste selectiestap: geen selectie.

2.3.3 Voorbeeld 3

Waterstoffluoride-opslag 500 ton.

Eerste selectiestap

Volgens het EVR-systeem wordt de inrichting geselecteerd.

2.4 Waardering schaderisico omgeving

Het mogelijke schaderisico voor de omgeving is afhankelijk van de kwetsbaarheid van de omgeving of de uitbreidingsmogelijkheid in de omgeving. Indien er sprake is van mogelijk schaderisico in de omgeving blijft het bedrijf geselecteerd. Afhankelijk van dit schaderisico zullen aan de bestrijding meer of minder hoge eisen worden gesteld.

Onder schade wordt verstaan:

Omdat de aard van de schade-effecten in hoofdlijnen te onderscheiden is in brandeffecten en in toxische-effecten én omdat de potentiële reikwijdte van deze beiden zeer verschilt, wordt voorgesteld het volgende onderscheid te maken in omgevingssituaties:

∗. hoog schaderisico

Van een hoog schaderisico is sprake indien brandeffecten leiden tot een stralingsbelasting hoger dan 10 kW/m2 bij omgevingsbebouwing.

∗. beperkt schaderisico

Van een beperkt schaderisico is sprake indien brandeffecten leiden tot een stralingsbelasting lager dan 10 kW/m2 doch hoger dan 3 kW/m2 bij de omgevingsbebouwing.

∗. gering schaderisico

Van een gering schaderisico is sprake indien brandeffecten leiden tot een stralingsbelasting lager dan 3 kW/m2 doch hoger dan 1 kW/m2 bij de omgevingsbebouwing.

∗. geen schaderisico

Hiervan is sprake indien de stralingsbelasting bij de omgevingsbebouwing lager is dan 1 kW/m2. Het bedrijf is dan niet meer geselecteerd.

In appendix 5 staan enige relaties weergegeven ontleend aan NBPI- en CPR-publicaties die gebruikt kunnen worden ter vaststelling van de belastingniveaus (zie literatuurlijst, nrs. 2 en 16).

∗. hoog schaderiscio

Van een hoog schaderisico is sprake indien ter plaatse van de bebouwing in de omgeving de piekoverdruk waarbij ruitbreuk optreedt, wordt overschreden (0,03 bar).

Als richtlijn voor de afstand vanaf de installatie tot waar overschrijding van de 0,03 bar piekoverdruk optreedt, kan de relatie volgens de brochure "Bestrijding van ongevallen waarbij ontplofbare stoffen betrokken zijn" (zie literatuurlijst nr. 8 en appendix 6) R = 24 w1/3 worden gehanteerd. Hierin is w de hoeveelheid ontplofbare stof (kg) en R de afstand (m) installatie/bebouwing in meters.

∗. geen schaderisico

Hiervan is sprake indien de piekoverdruk lager is dan 0,03 bar bij de omgevingsbebouwing. Het bedrijf is dan niet meer geselecteerd.

∗. hoog schaderisico

Van een hoog schaderisico is sprake indien zich bij de bebouwing in de omgeving concentratiebelastingen kunnen voordoen die tot reversibel letsel aanleiding kunnen geven. Als richtlijn kan hier gebruik worden gemaakt van concentratieniveaus zoals genoemd in de Handleiding voor de schatting van schadegebieden bij ongevallen met brandbare en giftige stoffen ("gewond contour"); zie literatuurlijst nr. 10.

∗. beperkt schaderisico

Van beperkt schaderisico is sprake indien zich bij de bebouwing in de omgeving concentratiebelastingen kunnen voordoen van tenminste 1/5 van het hiervoor genoemde concentratieniveau.

∗. geen schaderisico

Hiervan is sprake indien concentraties bij de bebouwing lager zijn dan 1/5 van het genoemde concentratieniveau of lager dan de EPEL-waarde. Het bedrijf is dan niet meer geselecteerd.

De bovenstaande schaderisicowaardering is van toepassing in combinatie met de vastgestelde scenario's. Dit houdt in dat afhankelijk van de inrichting van de installaties en de preventieve voorzieningen de hoeveelheid stof betrokken bij de scenario’s veel geringer kunnen zijn dan de hoeveelheden waarop de selectie in de eerste selectiestap heeft plaatsgevonden.

In tabel 2.2. is de waardering van het schaderisico samengevat.

Tabel 2.2 Waardering schaderisico

Waardering schaderisico

Belasting bij omgevingsbebouwing

 
 

Brandeffecten

Overdrukeffecten

Toxische effecten

hoog

> 10 kW/m2

> 0,03 bar

reversibel letsel

beperkt

3-10 kW/m2

> EPEL∗

 

gering

1-3 kW/m2

   

geen

< 1 kW/m2

< 0,03 bar

< EPEL∗

∗ of andere vergelijkbare waarden

3. Beschrijving inrichtingen

De beschrijving van de inrichting dient die gegevens te bevatten op grond waarvan kan worden beoordeeld of er voldoende brandweervoorzieningen aanwezig zijn. Bij de beoordelingen dienen de volgende aspecten te worden beschouwd:

3.1 Installaties

In principe worden alle installaties die tot selectie zouden hebben geleid, beschreven. In gevallen waarbij dit tot een zeer omvangrijke rapportage van een groot aantal gelijksoortige installaties zou leiden, zou volstaan kunnen worden met het beschrijven van die installaties die tot de meest omvangrijke brandweerinzet aanleiding geven (zogenaamde maatgevende incidentscenario's); dit onder verwijzing naar de overige installaties waar een soortgelijke of kleinere inzet van toepassing is. De volgende gegevens dienen daarbij te worden opgegeven.

3.1.1 Algemene gegevens installatie

∗. brandbaar;

∗. brandgevaarlijk;

∗. toxisch;

∗. ontplofbaar;

∗. radioactief;

∗. vloeistof;

∗. tot vloeistof verdicht gas;

∗. vaste stof;

∗. poeder/vaste deeltjes;

∗. gas;

3.1.2 Brandbestrijdingsgegevens van de installatie

Voor zover er sprake is van scenario’s en voorziene effecten die leiden tot een kleinere bluscapaciteit en een minder vergaande doelstelling dan in de scenariotabel ( appendix 1) genoemd, dient dit te worden toegelicht, bij voorbeeld onder verwijzing naar preventieve voorzieningen en dergelijke.

Bij de beschrijving van de mogelijk geachte schade-ontwikkeling zijn de volgende punten van belang:

Op deze wijze wordt de omvang van de geloofwaardig geachte incidentscenario’s vastgesteld.

De volgende criteria worden gehanteerd voor mogelijke uitbreiding:

Voor installaties of bebouwing die binnen deze grenzen vallen, wordt aangenomen dat dit kan leiden tot een nieuw ongevalsscenario dat voor die betreffende installatie geldt, tenzij aangetoond wordt dat door middel van preventieve en/of repressieve maatregelen deze belasting kan worden voorkomen of gereduceerd.

Voorbeelden

3.2 Bedrijfsbrandweer

Hierin wordt een beschrijving gegeven van de wijze van alarmering en van bestrijding voor de genoemde maatgevende installaties in paragraaf 3.1.2. De beschrijving vindt zoveel mogelijk plaats in de vorm van:

In het kort zijn hieronder een aantal aandachtspunten toegelicht.

3.2.1 Alarmering

Op welke wijze geschiedt alarmering; wanneer, door wie of wat en aan wie.

3.2.2 Opkomst en inzet

Op welke wijze geschiedt de opkomst en inzet van mensen en materieel:

Indien bijstand van buiten wordt gevraagd:

3.3 De organisatie van de brandweer in het bedrijf

Hierin wordt beschreven op welke wijze de brandweerorganisatie is opgebouwd.

De volgende punten dienen beschreven te worden:

4 . Toetsing

De toetsing die uiteindelijk plaatsvindt, geschiedt aan de hand van de gegevens genoemd in hoofdstuk 3. De volgende punten zijn daarbij aan de orde:

Naast de toetsing aan de hand van overlegde gegevens kan toetsing overigens plaatsvinden door middel van controle ter plaatse van de onder 3.1. tot en met 3.3. genoemde punten.

5. Samenvatting werkwijze

In onderstaand schema is de selectie, scenariokeuze en capaciteitsbepaling weergegeven.

Illustratie 1353.png

1

Illustratie 1354.png

2

Illustratie 1355.png

3

Illustratie 1356.png

4

Illustratie 1357.png

Literatuur

Appendix 1. Referentiescenario’s en voorbeelden

Overzicht basisscenario’s installaties

De onderstaande tabel geeft een overzicht van scenario’s die voor de beoordeling van bedrijfsbrandweervoorzieningen als richtinggevend worden beschouwd.

Voor elke installatie worden bijbehorende scenario’s genoemd, zie tabel 1. Afhankelijk van de omgeving wordt van elk van de scenario’s de bestrijdingsdoelstelling en de bluscapaciteit genoemd, tabel 2.

Voor zover bluscapaciteiten zijn vermeld, zijn deze ontleend aan CPR- of NBPI-publicaties. Ten aanzien van bestrijdingsdoelstellingen is onderscheid gemaakt in:

Noodgedwongen zijn de bestrijdingsdoelstellingen gebaseerd op een globale karakterisering van de omgeving.

Tabel 1: Overzicht van toepassing zijnde scenario’s (nummers verwijzen naar tabel 2)

stof

opslag

installatie transport overslag

proces

brandbaar

     

– vloeistof

1, 2, 3

5

4

– gas

8, 9

8

4, 8

– vast

7 ∗

   

toxisch ∗∗

     

– vloeistof

10

10

10

– gas

11

11

11

radioactief

12, 13

12, 13

12, 13

toxisch bij brand

∗∗

∗∗

∗∗

∗ vooral preventieve voorzieningen en brandbeveiligingsmaatregelen die grote brandontwikkeling voorkomen

∗∗ alleen van toepassing voor die stoffen waarbij repressieve maatregelen mogelijk zijn

Tabel 2: Referentiescenario's

Brandbare vloeistoffen (K1-, K2- en verwarmde K3-produkten)

Scenario

Bestrijdingsdoelstelling en capaciteit water

Van toepassing in risicogebied (brandschaderisico)

1 tankbrand ∗

1.1 beperken tot tank;

beperkt

 

1000 1/m/uur x strekkende meter aangestraald tankoppervlak (omliggende tanks) 1 l/m2/min x aangestraald oppervlak van andere bebouwing (bij 15 m afstand)

 
 

1.2 beheersen + beperken;

hoog

 

als 1.1 + 6 l/m2/min x tankoppervlak (mobiele installatie) ∗∗

 

2 tankputbrand

2.1 beperken tot tankput;

beperkt

 

als 1.1

 
 

2.2 beheersen + beperken;

hoog

 

als 1.1 + 6 l/m2/min x tankputoppervlak (mobiele installatie) ∗∗

 

3 rim-fire (tank met drijvend dak uitgerust met detectie op het dak)

3.1 beperken + blussen 6 l/min x omtrek tank

hoog of beperkt

Scenario

Bestrijdingsdoelstelling en capaciteit water

Van toepassing in risicogebied (brandschaderisico)

4 brand procesinstallatie

4.1 beperken tot installatie;

beperkt

 

als 1.1

 
 

4.2 beheersen + beperken;

hoog

 

als 1.1 + 6 l/m2/min x brandoppervlak (mobiele installatie) ∗∗

 

5 leidingbrand

5.1 beperken tot leiding ∗∗∗ (bij grote lekkages);

beperkt

 

als 1.1

 
 

5.2 beheersen + beperken;

hoog

 

als 1.1 + 6 l/m2/min x plasoppervlak (mobiele installatie) ∗∗

 

6 brand bij overslag

6.1 beperken tot overslagplaats ∗∗;

beperkt

 

als bij 1.1

 
 

als bij 5.2

hoog

∗ Bij innerfloaters met inertgasdeken + detectie wordt geen scenario beschouwd.

∗∗ Bij stationaire installatie 4 l/m2/min x oppervlak.

∗∗∗ In het algemeen mag worden aangenomen dat betrokken systeemonderdelen door middel van afsluiters kunnen worden geïsoleerd.

Bij onverwarmde K3-vloeistoffen wordt als scenario gehanteerd het kunnen beheersen/bestrijden van een brand buiten de tank zodanig dat de K3-opslag niet wordt aangetast.

Brandbare gassen

Scenario

Bestrijdingsdoelstelling en capaciteit water

Van toepassing in risicogebied (brandschaderisico)

fakkel

7.1 beperken tot tank door preventieve maatregelen (afstand, afscherming)

hoog of beperkt

8 gaswolkdispersie

8.1 beperking dampvorming

hoog of beperkt

9 oververhitting tengevolge van omgevingsbrand

9.1 koelen;

hoog of beperkt

 

10 l/m2/min x aangestraald tankoppervlak (indien geen andere preventieve maatregelen zijn genomen als hittebeschermende coatings, stralingsschermen, sproeiinstallatie en dergelijke)

 

Brandbare vaste stoffen

Het beheersen/bestrijden van branden in een vroegtijdig stadium vóórdat de opslageenheid geheel door brand wordt aangetast; bluscapaciteit 1 l/m2/min ∗ brandend oppervlak.

Ontplofbare stof

Het beheersen/beperken van branden in een vroegtijdig stadium voordat de installatie wordt aangetast.

Toxische vloeistoffen ∗∗∗[1]

Scenario

Bestrijdingsdoelstelling en capaciteit water

Van toepassing in risicogebied (schaderisico)

10 lekkage algemeen

10.1 beperken dampvorming;

hoog of beperkt

 

afdekken met schuim, oplossen in water, bij stoffen waar dit kan, stoppen van lekkage

 

Toxische gassen ∗∗∗[2]

Scenario

Bestrijdingsdoelstelling en capaciteit water

Van toepassing in risicogebied (brandschaderisico)

11 lekkage algemeen

11.1 beperken dampwolk;

hoog of beperkt

 

afscherming door nevelgordijnen, bij stoffen waar dit kan, stoppen van lekkage

 

Radioactieve stoffen

Betreft nucleaire installaties en inrichtingen voor nucleair onderzoek vallende onder brandklasse I.

Scenario

Bestrijdingsdoelstelling en capaciteit water

Van toepassing in risicogebied (brandschaderisico)

12 brand in bedrijfsruimten binnen stralingscontrolegebied

12.1 blussen met aauwezige middelen van binnenbranden

altijd

13 brand in bedrijfsruimten buiten stralingscontrolegebied

13.1 beheersen en beperken

altijd

Voorbeeldbeschrijving:

1. Scenario installatiebrand:

  • - brandoppervlak 1.000 m2;

  • - aangestraald oppervlak omliggende bebouwing 1.800 m2 geveloppervlak, 300 m opslagtanks;

  • - bestrijding gericht op beperken, vervolgens blussen;

  • - capaciteit in volgorde van inzet:

∗. koeling ter voorkoming van verdere uitbreiding, motorspuit 2 ∗ 1.200 l/min., aangesloten op 2 hydranten (bedrijfsbrandweer).

∗. bluscapaciteit gefaseerde blussing, 2 motorspuiten 1.600 l/min., aangesloten op 2 hydranten (ondersteuning van buiten).

Totale capaciteit 5.600 l/min.

2. Bestrijdingsorganisatie

tijd

0 minuten - melding door de operator volgens meldingsprocedure aan de portier;

1 minuut - alarmering van de bevelvoerder/brandweerploeg en anderen volgens bedrijfsnoodplan, opkomsttijd 4 minuten;

3 minuten - alarmering van de overheidsbrandweer volgens bedrijfsnoodplan, opkomsttijd 8 minuten;

7 minuten - inzet van de bluscapaciteit 2 ∗ 1.200 l/min. na 7 minuten;

15 minuten - inzet van de bluscapaciteit 2 ∗ 1.600 l/min. na 15 minuten;

  • - coördinatie van de bestrijding overeenkomstig de gemaakte afspraken.

3. Bedrijfsbrandweerorganisatie

Samenstelling van de bedrijfsbrandweer:

  • - een bevelvoerder en een vijfmansploeg (totaal 18 personen);

  • - leiding van de bestrijdingsoperatie bij het hoofd veiligheidsdienst (oproepbaar).

Opleiding: modules ...

Oefening/training: - per jaar ∗ oefeningen op het terrein volgens scenario A, B of C;

  • - eens per Y jaar een training bij ...

Appendix 2. Begrippenlijst

Appendix 3. Aanwijzingssysteem AVR

Schema voor de berekening van de aanwijzings(sub)factor per stof en per procesomstandigheid

[Raadpleeg voor dit plaatje het gedrukte Staatsblad, 1990/80.]

Voorbeelden aanwijzingssysteem; één grenswaarde per installatie

Installatie

Stoffen

Inhoud (103 kg) (Q)

Procestemp. (°C)

Atm. kookpunt van de stof (°C)

Omstan- digheidsfactor (O)

Q corr. (103 kg) (Q x O)

Grenswaarde (103 kg) (G)

Aanwij- zingsfactor (Q x O): G

Aangewezen bij faseringsfactor 400, ja/nee

Drukopslag, buiten

chloor

500

25

– 34

0,01 x 7

35

0,3

116,7

nee

Gekoelde atm. opslag, buiten

chloor

1.000

– 34

– 34

0,01 x 2

20

0,3

66,7

nee

Produktie-installatie

chloor

5

50

– 34

9

45

0,3

   

buiten

chloor

15

– 5

– 34

5

75

0,3

400,0

ja

Produktie-installatie

fosgeen

binnen 0,8

25

8

3 x 10

24

0,04

   

binnen/buiten

fosgeen

buiten 0,1

25

8

3

0,3

0,04

807,5

ja

Opslagtank, buiten

benzine (∗1)

20.000

25

85

0,01 x 0,4

80

10

8

nee

Drukopslag, buiten

propaan

2.000

25

– 42

0,01 x 8

160

10

16

nee

Gekoelde atm.

methaan

50.000

–162

–162

0,01 x 4

2.000

10

200

nee

opslag, buiten

(LNG)

               

Produktie-installatie, buiten

etheen

200

– 30

–104

10

2.000

10

   
 

ethaan

100

80

– 88

10

1.000

10

   
 

propeen

10

30

– 47

9

90

10

   
 

propeen

10

– 35

– 47

3

30

10

417

ja

 

propaan

100

100

– 42

10

1.000

10

   
 

butaan

5

90

– 1

10

50

10

   

(∗1) Stel begintemp. kooktraject = 85°C.

Tabel 3: Voorbeelden aanwijzingssysteem; verschillende grenswaarden per installatie

Installatie

Stoffen

Inhoud (103 kg) (Q)

Procestemp. (°C)

Atm. kookpunt van de stof (°C)

Omstan- digheidsfactor (O)

Q corr. (103 kg) (Q x O)

Grenswaarde (103 kg) (G)

Aanwij- zingsfactor (Q x O): G

Aangewezen bij faseringsfactor 400, ja/nee

Produktieinstallatie, buiten

chloor

10

55

– 34

10

0,3

   
 

chloorwaterstof

0,5

55

– 85

10

0,5

tox: 343,3

nee (∗1)

 

etheen

60

55

–104

10

10

brandb.: 60,0

 

Produktieinstallatie, buiten

ammoniak

40

100

– 33

10

5

10

   
 

blauwzuur

1,5

100

26

8

0,03

   
 

acrylnitril

5

40

77

0,6

2

10

tox: 481,5

ja

 

propeen

20

25

– 47

8

10

brandb.: 66,3

 
 

propeen

10

100

– 47

10

10

   

(∗1) De resultaten van de toxische en brandbare stoffen mogen niet worden gesommeerd.

Appendix 4. Grenswaarden EVR

Richtlijn van de Raad der Europese Gemeenschappen van 5 augustus 1982, nr. 82/501/EEG (Pb EG 1982, L 230)

Bijlage II. Opslag in andere dan de in bijlage I bedoelde installaties ("afzonderlijke opslag")

Onderstaande hoeveelheden gelden per installatie of per groep installaties van een zelfde fabrikant wanneer de afstand tussen de installaties niet groot genoeg is om in voorzienbare omstandigheden te vermijden dat de risico’s van zware ongevallen groter worden. In elk geval gelden deze hoeveelheden per groep installaties van een zelfde fabrikant indien de afstand tussen de installaties minder dan ongeveer 500 meter bedraagt.

Stoffen of categorieën van stoffen

Hoeveelheid (t)≥

   

Voor de toepassing van de artikelen 3 en 4

Voor de toepassing van artikel 5

1.

Ontvlambaar gas in de zin van de bijlage IV, sub c), i)

  50

 300 (∗1)

2.

Licht ontvlambare vloeistoffen in de zin van bijlage IV, sub c), ii)

10 000

100 000

3.

Acrylonitril

 350

5 000

4.

Ammoniak

  60

 600

5.

Chloor

  10

 200

6.

Zwaveldioxide

  20

 500

7.

Ammoniumnitraat

 500 (∗2)

5 000 (∗2)

8.

Natriumchloraat

  25

 250 (∗2)

9.

Vloeibare zuurstof

 200

2 000 (∗2)

(∗1) De Lid-Staten kunnen artikel 5 toepassen vanaf 500 ton als voorlopige maatregel, en wel tot de herziening van bijlage 11 als bedoeld in artikel 19.

(∗2) voor zover de staat waarin deze stof verkeert hieraan eigenschappen verleent die het risico van een zwaar ongeval zouden kunnen opleveren.

Bijlage III. Lijst van stoffen voor de toepassing van artikel 5

Onderstaande hoeveelheden gelden per installatie of per groep installaties van een zelfde fabrikant wanneer de afstand tussen de installaties niet groot genoeg is om in voorzienbare omstandigheden te vermijden dat de risico’s van zware ongevallen groter worden. In elk geval gelden deze hoeveelheden per groep installaties van een zelfde fabrikant indien de afstand tussen de installa- ties minder dan ongeveer 500 meter bedraagt.

 

Benaming

Hoeveelheid (≥)

CAS-nr.

EEG-nr.

1.

4-Aminobifenyl

1 kg

92-67-1

 

2.

Benzidine

1 kg

92-87-5

612-042-00-2

3.

Benzidinezouten

1 kg

   

4.

Dimethylnitrosamine

1 kg

62-75-9

 

5.

2-Naftylamine

1 kg

91-59-8

612-022-00-3

6.

Beryllium (poederen/ofverbindingen)

10 kg

   

7.

Dichloormethylether

1 kg

542-88-1

603-046-00-5

8.

1,3-Propaansulton

1 kg

1120-71-4

 

9.

2,3,7,8-tetrachloordibenzo-p-dioxine (TCDD)

1 kg

1746-01-6

 

10.

Arseenpentoxide, arseen(V)zuur en zouten daarvan

500 kg

   

11.

Arseentrioxide, arsenig(111)zuuren zouten daarvan

100 kg

   

12.

Arseenwaterstof(arsine)

10 kg

7784-42-1

 

13.

N,N-Dimethylcarbamoylchloride

l kg

79-44-7

 

14.

N-Chloorformylmorfoline

1 kg

15159-40-7

 

15.

Kooloxychloride (fosgeen)

20 t

75-44-5

006-002-00-8

16.

Chloor

50 t

7782-50-5

017-001-00-7

17.

Zwavelwaterstof

50 t

7783-06-04

016-001-00-4

18.

Acrylnitril (vinylcyanide)

200 t

107-13-1

608-003-00-4

19.

Cyaanwaterstof

20 t

74-90-8

006-006-00-X

20.

Kooldisulfide (zwavelkoolstof)

200 t

75-15-0

006-003-00-3

21.

Broom

500 t

7726-95-6

035-001-00-5

22.

Ammoniak

500 t

7664-41-7

007-001-00-5

23.

Acetyleen (ethyn)

50 t

74-86-2

601-015-00-0

24.

Waterstof

50t

1333-74-0

001-001-00-9

25.

Ethyleenoxyde

50 t

75-21-8

603-023-00-X

26.

Propyleenoxyde

50 t

75-56-9

603-055-00-4

27.

Acetoncyaanhydrine

200 t

75-86-5

608-004-00-X

28.

2-Propenal (acroleïne)

200 t

107-02-8

605-008-00-3

29.

2-Propen-lol (allylalcohol)

200 t

107-18-6

603-015-00-6

30.

Allylamine

200 t

107-11-9

612-046-00-4

31.

Antimoonwaterstof(stibine)

100 kg

7803-52-3

 

32.

Ethyleenimine

50 t

151-56-4

613-001-00-1

33.

Formaldehyde (minimaal 90%)

50 t

50-00-0

605-001-01-2

34.

Fosforwaterstof (fosfine)

100 kg

7803-51-2

 

35.

Methylbromide (monobroommethaan)

200 t

74-83-9

602-002-00-3

36.

Methylisocyanaat

1 t

624-83-9

615-001-00-7

37.

Stikstofoxydes

50 t

11104-93-1

 

38.

Natriumseleniet

100 kg

10102-18-8

 

39.

Bis-(2-chloorethyl)sulfide

1 kg

505-60-2

 

40.

Phosazetim

100 kg

4104-14-7

015-092-00-8

41.

Tetraethyllood

50 t

78-00-2

 

42.

Tetramethyllood

50t

75-74-1

 

43.

Promurit (3,4-dichloorfenyl azathioureum)

100 kg

5836-73-7

 

44.

Chloorfenvinfos

100 kg

470-90-6

015-071-00-3

45.

Crimidine

100 kg

535-89-7

613-004-00-8

46.

Monochloormethylether

1 kg

107-30-2

 

47.

Cyaanfosforzuur dimethylamide

1 t

63917-41-9

 

48.

Carbofenothion

100 kg

786-19-6

015-044-00-6

49.

Dialifos

100 kg

10311-84-9

015-88-00-6

50.

Cyanthoate

100 kg

3734-95-0

015-070-00-8

51.

Amiton

1 kg

78-53-5

 

52.

Oxydisulfoton

100 kg

2497-07-6

015-096-00-X

53.

0,0-Diethyl-S-(ethylsulfinylmethyl)thiofosfaat

100 kg

288-05-8

 

54.

0,0-diethyl-S-(ethylsulfonylmethyl)thiophosfaat

100 kg

288-06-9

 

55.

Disulfotou

100 kg

298-04-4

015-060-00-3

56.

Demetou

100 kg

8065-48-3

 

57.

Phoraat

100 kg

298-02-2

015-033-00-6

58.

0,0-diethyl-S-(ethylthiomethyl)thiophosfaat

100 kg

2600-69-3

 

59.

0,0-diethyl-S-(isopropylthiomethyl)dithiofosfaat

100 kg

78-52-4

 

60.

Pyrazoxon

100 kg

108-34-9

015-023-00-1

61.

Fensulfothiou

100 kg

115-90-2

015-090-00-7

62.

Paraoxou (0,0-diethyl-0-(4-nitrofeuyl)fosfaat

100 kg

311-45-5

 

63.

Parathiou

100 kg

56-38-2

015-034-00-1

64.

Azinfos-ethyl

100 kg

2642-71-9

015-056-00-1

65.

0.0-diethyl-S-(propylthiomethyl)dithiofosfaat

100 kg

3309-68-0

 

66.

Thiouazine

100 kg

297-97-2

 

67.

Carbofuraau

100 kg

1563-66-2

006-026-00-9

68.

Fosfamidon

100 kg

13171-21-6

015-022-00-6

69.

Tirpate(0-[[(2,4-dimethyl-1,3-dithiolau-2-yl)methyleen]im ino]–N-methyl-carbonaat)

100 kg

26419-73-8

 

70.

Mevinfos

100 kg

7786-34-7

015-020-00-5

71.

Parathiou-methyl

100 kg

298-00-0

015-035-00-7

72.

Azinfos-methyl

100 kg

86-50-0

015-039-00-9

73.

Cycloheximide

100 kg

66-81-9

 

74.

Difacinon

100 kg

82-66-6

 

75.

Tetramethyleendisulfotetramine

1 kg

80-12-6

 

76.

EPN

100 kg

2104-64-

015-036-00-2

77.

45-Fluorboterzuur

1 kg

462-23-7

 

78.

4-Fluorboterzure zouten

1 kg

   

79.

4-Fluorboterzure esters

1 kg

   

80.

4-Fluorboterzuuramides

1 kg

   

81.

4-Fluorcrotonzuur

1 kg

37759-72-1

 

82.

Fluorcrotonzure zouten

1 kg

   

83.

Fluorcrotonzure esters

1 kg

   

84.

Fluorcrotouzuuramides

1 kg

   

85.

Monofluorazijnzuur

1 kg

144-49-0

607-081-00-7

86.

Monofluorazijnzure zouten

1 kg

   

87.

Monofluorazijnzure esters

1 kg

   

88.

Monofluorazijnzuuramides

1 kg

   

89.

Fluenetil

100 kg

4301-50-2

607-078-00-0

90.

4-Fluor-2-hydroxyboterzuur

1 kg

   

91.

4-Fluor-2-hydroxyboterzurezouten

1 kg

   

92.

4-Fluor-2-Hydroxyboterzureesters

1 kg

   

93.

4-Fluor-2-hydroxyboterzuuramides

1 kg

   

94.

Fluorwaterstof

50t

7664-39-3

009-002-00-6

95.

Hydroxyacetonitril (glycolzuurnitril)

100 kg

107-16-4

 

96.

1,2,3,7,8,9-Hexachloordibenzo-p-dioxine

100 kg

19408-74-3

 

97.

Isodrin

100 kg

465-73-6

602-050-00-4

98.

Hexamethylfosfortriamide

1 kg

680-31-9

 

99.

Juglon (5-hydroxy-1,4-naftochinon)

100 kg

481-39-0

 

100.

Warfarin

100 kg

81-81-2

607-056-00-0

101.

4,4-Methyleen-bis-(2-chlooraniline)

10 kg

101-14-4

 

102.

Ethion

100 kg

563-12-2

015-047-00-2

103.

Aldicarb

100 kg

116-06-3

006-017-00-X

104.

Nikkeltetracarbonyl

10 kg

13463-39-3

028-001-00-1

105.

Isobenzan

100 kg

297-78-9

602-053-00-0

106.

Pentaboraan

100 kg

19624-22-7

 

107.

1-Propeeu-2-chloor-1,3-dioldiacetaat

10 kg

10118-72-6

 

108.

Propyleenimine

50t

75-55-8

 

109.

Zuurstofdifluoride

10 kg

7783-41-7

 

110.

Zwavelchloride

1 t

10545-99-0

016-013-00-X

111.

Seleenhexafluoride

10 kg

7783-79-1

 

112.

Seleenwaterstof

10 kg

7783-07-5

 

113.

TEPP

100 kg

107-49-3

015-025-00-2

114.

Sulfotep

100 kg

3689-24-5

015-027-00-3

115.

Dimefox

100 kg

115-26-4

015-061-00-9

116.

Tricyclohexylstannyl-IH-1,2,4-triazool

100 kg

41083-11-8

 

117.

Triethyleenmelamine

10 kg

51-18-3

 

118.

Kobalt (Poederen/ofverbindingen)

100 kg

   

119.

Nikkel (poederen/ofverbindingen)

100 kg

   

120.

Anabasine

100 kg

494-52-0

 

121.

Telluurhexafluoride

100 kg

7783-80-4

 

122.

Trichloormethylsulfenylchloride

100 kg

594-42-3

 

123.

1,2-dibroomethaan

50t

106-93-4

602-010-00-6

124.

Ontvlambare stoffen in de zin van bijlage IV, c), i)

200 t

   

125.

Ontvlambare stoffen in de zin van bijlage IV, c), ii)

50 000 t

   

126.

Diazodinitrofenol

10 t

7008-81-3

 

127.

Diglycoldinitraat

10 t

693-21-0

603-033-00-4

128.

Zouten van dinitrofenol

50 t

 

609-017-00-3

129.

1-Guanyl-4-Nitrosaminoguanyl-1-tetrazeen

lot

109-27-3

 

130.

Hexanitrodifenylamine

50 t

131-73-7

612-018-00-1

131.

Hydrazinenitraat

50 t

13464-97-6

 

132.

Nitroglycerine

10 t

55-63-0

603-034-00-X

133.

Pentaerytritoltetranitraat

50 t

78-11-5

603-035-00-5

134.

Cyclotrimethyleentrinitramine

50 t

121-82-4

 

135.

Trinitroanaline

50 t

26952-42-1

 

136.

2,4,6-Trinitroanisool

50 t

606-35-9

609-011-00-0

137.

Trinitrobenzeen

50 t

2377-32-6

609-005-00-8

138.

Trinitrobenzoëzuur

50 t

35860-50-5

129-66-8

139.

Trinitrochloorbenzeen

50 t

28260-61-9

610-004-00-X

140.

Trinitrofenylmethylnitramine

50 t

479-45-8

612-017-00-6

141.

2,4,6-Trinitrofenol (Pibrinezuur)

50 t

88-89-1

609-009-00-X

142.

Trinitrokresol

50 t

28905-71-7

609-012-00-6

143.

2,4,6-Trinitrofenetool

50 t

4732-14-3

 

144.

Trinitroresorcinol

50 t

82-71-3

609-018-00-9

145.

2,4.6-Trinitrotolueen

50 t

118-96-7

609-008-00-4

146.

Ammoniumnitraat (∗1)

5 000 t

6484-52-2

 

147.

Nitrocellulose (met meer dan 12,6% stikstof)

100 t

9004-70-0

603-037-00-6

148.

Zwaveldioxyde

1 000 t

7446-09-05

016-011-00-9

149.

Zoutzuur (tot vloeistof verdicht gas)

20 t

7647-01-0

017-002-00-2

150.

Ontvlambare stoffen in de zin van bijlage IV, c, iii)

200 t

   

151.

Natriumchloraat (∗1)

20 t

7775-09-9

017-005-00-9

152.

t. Butylperoxyacetaat (concentratie ≥ 70%)

50 t

107-71 -1

 

153.

t. Butylperoxy-iso-butyraat (concentratie ≥ 80%)

50 t

109-13-7

 

154.

t. Butylperoxymaleaat (concentratie ≥ 80%)

50 t

1931-62-0

 

155.

t. Butylperoxy-iso-propylcarbonaat (concentratie ≥ 80%)

50 t

2372-21-6

 

156.

Dibenzylperoxydicarbonaat (concentratie ≥ 90%)

50 t

2144-45-8

 

157.

2,2-Bis-(t. Butylperoxy) butaan (concentratie ≥ 70%)

50 t

2167-23-9

 

158.

1,1-is-(t. Butylperoxy) cyclohexaan (concentratie ≥ 80%)

0 t

300686-8

 

159.

Di-s-butylperoxydicarbonaat (concentratie ≥ 80%)

50 t

19910-65 -7

 

160.

2,2-dihydroperoxypropaan (concentratie ≥ 30%)

50 t

2614-76-8

 

161.

Di-n-propylperoxydicarbonaat (concentratie ≥ 80%)

50 t

16066-38 -9

 

162.

3,3,6,6,9,9-Hexamethyl-1,2,4,5-tetroxacyclononaan (concentratie ≥ 75%)

50 t

22397-33-7

 

163.

Methylethylketonperoxyde (concentratie ≥ 60%)

50 t

1338-23-4

 

164.

Methyl-iso-butylketonperoxyde concentratie ≥ 60%)

50 t

37206-20-5

 

165.

Perazijnzuur (concentratie ≥ 60%)

50 t

79-21-0

607-094-00-8

166.

Loodazide

50 t

13424-46-9

082-003-00-7

167.

Loodtrinitroresorcinolaat

50 t

15245-44-0

609-019-00-4

168.

Kwikfulminaat

10 t

20820-45-5 628-86-4

080-005-00-2

169.

Cyclotetramethyleentatranitramine

50 t

2691-41-0

 

170.

2,2',4,4',6,6'-Hexanitrostilbeen

50 t

20062-22-0

 

171.

1,3,5-riamino-2,4,6-trinitrobenzeen

50 t

3058-38-6

 

172.

GlycoldiTitraat

10 t

628-96-6

603-032-00-9

173.

Ethylnitraat

50 t

625-58-1

007-007-00-8

174.

Natriumpicramaat

50 t

831-52-7

 

175.

Bariumazide

50 t

18810-58-7

 

176.

Di-iso-butyrylperoxyde (concentratie ≥ 50%)

50 t

3437-∗4-1

 

177.

Diethylperoxydicarbonaat (concentratie ≥ 30%)

50 t

14666-78-5

 

178.

t. Butylperoxypivaloaat (concentratie ≥ 77%)

50 t

927-07-1

 

(∗1) Voor zover de staat waarin deze stofverkeert hieraan eigenschappen verleent die het risico van een zwaar ongeval zouden kunnen opleveren.

N.B.: De EEG-nummers zijn die van Richtlijn 67/548/EEG, met inbegrip van de wijzigingen daarop.