Handboek Branbestrijdinsgsystemen (PGS 14)
De opslag van gevaarlijke stoffen vindt beveiligd plaats onder de richtlijn PGS 15 (de voormalige CPR 15-1, -2 of -3). Het overgrote deel van de opslagen van gevaarlijke stoffen in Nederland betreft meer dan 10 ton verpakte gevaarlijke stoffen (CPR 15-2). Naast PGS 15 moet het Handboek brandbestrijdingssystemen (PGS 14) worden gehanteerd, waarin de (voormalige) CPR 15-1, -2 en -3 indeling wordt gebruikt.
De richtlijnen zijn bedoeld als regelgeving ter voorkoming en beperking van de gevaren verbonden aan de opslag van gevaarlijke stoffen. Afhankelijk van de hoeveelheid opgeslagen gevaarlijke stoffen, bestrijdingsmiddelen en/of (licht) ontvlambare vloeistoffen moet een bepaalde vorm van brandbeveiliging worden gerealiseerd met behulp van een brandbestrijdingssysteem. In een aantal gevallen betreft dit een (automatische) blusinstallatie. Er bestaan echter ook systemen waarvan het hoofdbestanddeel wordt gevormd door het repressieve optreden van de lokale brandweer of de bedrijfsbrandweer. Volgens de richtlijnen wordt elk systeem in staat geacht een eventuele brand voldoende beheersbaar te houden, waaronder wordt verstaan: effectieve brandbestrijding, voldoende bluswater- en productopvangcapaciteit en aanvaardbare concentraties verbrandingsproducten op leefniveau.In de richtlijnen (met name CPR 15-2 en -3) wordt een groot aantal kenmerken van brandbestrijdingssystemen aangegeven, alsmede parameters voor het vaststellen van de opvangcapaciteit van bluswater en product. Bovendien wordt voor de technische uitvoering van de systemen verwezen naar een fors aantal normen en richtlijnen. Uit deze veelheid van gegevens is het uitermate lastig voor personen die niet zeer regelmatig met deze materie worden geconfronteerd een weloverwogen keuze te maken. Om de keuzemogelijkheden beter toegankelijk te maken is het Handboek brandbestrijdingssystemen (PGS 14) samengesteld.
15-1: Bij opslagplaatsen met gevaarlijke stoffen in emballage tot 10 ton (of m3) en/of tot en met 1 ton (of m3) extreem aquatoxische stoffen is voor het Handboek brandbestrijdingssystemen richtlijn CPR 15-1 van toepassing. De voorgeschreven brandbeveiliging conform PGS 14 betreft opslag in een losse kast, een bouwkundige kast, een kluis, een opslaggebouw of een vatenpark.
15-2: Bij opslagplaatsen met gevaarlijke stoffen in emballage van meer dan 10 ton (richtlijn CPR 15-2) worden drie verschillende beschermingsniveaus van brandpreventie en repressie onderkend:
15-2 Beschermingsniveau 1:
- Branddetectie-installatie in combinatie met een (semi-)automatische blusinstallatie of brandbeveiligingssysteem met bedrijfsbrandweer
- Bluswateropvang, productopvang en preventieve maatregelen.
- Branddetectie-installatie in combinatie met een rook- en warmteafvoerinstallatie
- Bluswateropvang, productopvang en preventieve maatregelen.
- Productopvang (in bepaalde gevallen) en preventieve maatregelen.
Brandbestrijdingssysteem en/of bedrijfsbrandweer
Bij (15-2) beschermingsniveau 2 (en tevens 1) speelt de repressieve brandbestrijding een uitermate belangrijke rol. Conform PGS 14 moet de lokale brandweer aantoonbaar inzetbaar zijn binnen 15 minuten ofwel beschikt de inrichting over een bedrijfsbrandweer van categorie 1 of 2. In overleg met de brandweer moet een brandbeheersings- en -bestrijdingsconcept worden voorbereid.
In bijlage 3, bladzijde 43 van CPR 15-2 staat vermeld dat als bedrijfsbrandweer uitsluitend een bedrijfsbrandweer van categorie 1 of 2 aanvaardbaar wordt geacht.
Categorie 1: Een bedrijfsbrandweer behorend tot categorie 1 is vol-continu en direct inzetbaar op het bedrijf aanwezig en binnen 6 minuten ter plaatse inzetbaar. De sterkte aan personeel en materiaal bedraagt minimaal twee blusvoertuigen met volledige bemanning.
Categorie 2: Een bedrijfsbrandweer behorend tot categorie 2 is vol-continu en direct inzetbaar op het bedrijf aanwezig en binnen 6 minuten ter plaatse inzetbaar. De sterkte aan personeel en materiaal bedraagt minimaal een blusvoertuig met volledige bemanning. Het resterende gedeelte van de bedrijfsbrandweer is oproepbaar en binnen 10 minuten ter plaatse.
Voor een specifieke invulling hiervan kan het (voormalige) "Besluit Bedrijfsbrandweren" (de huidige Werkwijzer Bedrijfsbrandweren) als leidraad worden gehanteerd. Hierin zijn belangrijke aandachtspunten, zoals de wijze van alarmering, opkomst en inzet opgenomen. Tevens wordt aandacht besteed aan de organisatie van de brandweer in het bedrijf.
VROM doet op dit moment onderzoek naar dit aspect. Naar verwachting is het streven om de generiek voorgeschreven bedrijfsbrandweer-sterkte uit de PGS-richtlijnen te halen. De specifiek benodigde sterkte kan bepaald worden conform de procedure beschreven in artikel 31 van de Wet veiligheidsregio's (bedrijfsbrandweerplicht).
Bluswater- en productopvang
Een bluswater of productopvang wordt voorgeschreven ten einde te voorkomen dat bij een calamiteit verontreiniging van bodem en/of oppervlakte- en grondwater mogelijk is. De capaciteit is afhankelijk van de aard van de opslag, de omvang van de opslag, de verwachte brandbestrijdingsduur (conform PGS 14 variërend van 20 tot 60 minuten) en de benodigde hoeveelheid bluswater. Met andere woorden, conform PGS 14, moet een (automatisch) blussysteem tijdig worden uitgezet om verspreiding van verontreinigd bluswater te voorkomen.
Afstand tot (beperkt) kwetsbare objecten
Afhankelijk van de aard van de opslag (CPR 15-1, -2 of -3), het beschermingsniveau (1, 2 of 3) en het oppervlak van de opslag (m2) moet bij alle brandbestrijdingssystemen rekening worden gehouden met een minimum afstand tot omliggende gevoelige bebouwing. Deze is voorgeschreven in de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi).

