Toelichting Artikel 31 Wet Veiligheidsregio's
Bedrijfsbrandweren:
Het Besluit veiligheidregio's bevat nadere regels om tot aanwijzing van een bedrijfsbrandweer over te gaan bij die inrichtingen die in geval van een brand of ongeval een bijzonder gevaar kunnen opleveren voor de openbare veiligheid. De bepalingen in het hoofdstuk Bedrijfsbrandweer zijn afkomstig uit het Besluit bedrijfsbrandweren, dat in 2007 is geëvalueerd. Op basis van deze evaluatie is de inhoud van het voormalige besluit op een aantal punten aangepast. Het besluit verstaat onder een bedrijfsbrandweer: de organisatie van mensen en middelen die tot doel heeft het bestrijden van branden en ongevallen op het terrein van de inrichting.
Het bevoegd gezag voor de aanwijzing van een bedrijfsbrandweer is volgens de nieuwe Wet veiligheidsregio's niet meer burgemeester en wethouders, maar het bestuur van de veiligheidsregio. Het besluit veiligheidsregio's bepaalt welke inrichtingen voor een aanwijzingsprocedure in aanmerking kunnen komen en regelt de werkwijze en procedure van een aanwijzing. Voor een aanwijzing als inrichting die over een bedrijfsbrandweer moeten beschikken, komen in aanmerking:
-
a. inrichtingen als bedoeld in artikel 4 van het Besluit risico's zware ongevallen 1999;
b. inrichtingen met installaties waarop hoofdstuk 2, afdeling 2, van het Arbeidsomstandighedenbesluit van toepassing is voor zover het betreft:
-
1) inrichtingen die geheel of nagenoeg geheel zijn bestemd voor de opslag in verband met vervoer van in die afdeling genoemde stoffen, al dan niet in combinatie met andere stoffen en producten;
2) spoorwegemplacementen voor zover zij geen onderdeel zijn van een inrichting waarop artikel 4 van het Besluit risico's zware ongevallen 1999 van toepassing is, en;
De feitelijke bijdrage en sterkte van een bedrijfsbrandweer wordt beschouwd in relatie tot de overheidsbrandweer aan de ene kant en de preventieve en repressieve maatregelen die het bedrijf heeft getroffen, aan de andere kant. De bedrijfsbrandweer behoort tot de repressieve maatregelen. Praktijkervaringen met het besluit bedrijfsbrandweren hebben geleid tot het inzicht dat naar mate meer wordt geïnvesteerd in maatregelen op het gebied van preventie en preparatie, de repressieve maatregelen tot een doelmatiger schadebeperking leiden, wanneer een incident plaatsvindt. De integrale benadering van de taken van de overheidsbrandweer enerzijds en van de bedrijfsbrandweer anderzijds moet voorkomen dat het bevoegd gezag een eventueel tekortschietende basisbrandweerzorg compenseert met zijn aanwijzingsbevoegdheid.
De reikwijdte van hoofdstuk 7 is ingeperkt door een aantal categorieën inrichtingen te laten vervallen die nooit zijn aangeschreven. Vooralsnog wordt de reikwijdte van het hoofdstuk niet verder aangepast. Het is echter van belang erop te wijzen dat dit op termijn mogelijk wél verandert. Enerzijds omdat door het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de ARIE-regeling (Aanvullende voorschriften risico-inventarisatie en -evaluatie ter voorkoming en beperking van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen), waaronder inrichtingen vallen die een bedrijfsbrandweer aanwijzing kunnen krijgen, geëvalueerd is. Over de toekomst van de ARIE is door de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een adviesaanvraag aan de SER gedaan. Zodra het SER-advies beschikbaar is, zal aan de hand daarvan moeten worden beoordeeld of de reikwijdte van hoofdstuk 7 moet worden aangepast en zo ja, in welke zin.
De Begeleidingscommissie Herziening Besluit bedrijfsbrandweren heeft geadviseerd om de werking van het hoofdstuk aanwijzingen bedrijfsbrandweer uit te breiden met een soort ‘kapstok’-bepaling. Hierdoor zouden categorieën inrichtingen die niet expliciet in artikel 7.1 worden vermeld, in beginsel voor een bedrijfsbrandweer in aanmerking kunnen komen. Hierbij zou dan wel sprake moeten zijn van een gemotiveerd vermoeden van een bijzonder gevaar voor de openbare veiligheid bij brand of ongeval. Deze aanbeveling is niet overgenomen. Het moet voor inrichtingen helder zijn of deze wel of niet voor een aanwijzing in aanmerking zouden kunnen komen. Daarom is hier gekozen voor een limitatieve opsomming.
De beoordeling of de inrichting bij brand of ongeval een bijzonder gevaar voor de openbare veiligheid kan opleveren, vindt plaats nadat het bevoegd gezag een rapport inzake de bedrijfsbrandweer van de inrichting heeft ontvangen. Wanneer uit het rapport blijkt dat dit niet het geval is, vindt geen aanwijzing plaats. Er vindt evenmin een aanwijzing plaats als de inrichting weliswaar bij brand of ongeval een bijzonder gevaar vormt, maar voldoende voorzieningen heeft getroffen. Aan het besluit de inrichting niet aan te wijzen kunnen voorwaarden worden verbonden. Deze voorwaarden hebben betrekking op de voorzieningen die de inrichting dient te treffen en die minimaal gelijkwaardig zijn aan het hebben van een bedrijfsbrandweer. Vormt de inrichting bij brand of ongeval wél een bijzonder gevaar voor de openbare veiligheid, dan volgt aanwijzing tot bedrijfsbrandweerplichtige inrichting. In dit besluit tot aanwijzing kunnen eisen worden gesteld. Het belang van het opnemen van voorwaarden in het besluit om niet aan te wijzen respectievelijk het opnemen van eisen in het besluit tot aanwijzing, is dat het bevoegd gezag bij het toezicht op de naleving en bij de handhaving van deze besluiten gericht te werk kan gaan. Blijkt een inrichting zich niet te hebben gehouden aan de voorwaarden, op grond waarvan niet tot aanwijzing is overgegaan, dan volgt alsnog een procedure tot aanwijzing.
Het bestuursrechtelijke handhavingsmiddel van bestuursdwang wordt door de Wet veiligheidregio's toegekend aan het bestuur van de veiligheidsregio als bevoegd gezag. Het wordt aan het bestuur van de veiligheidsregio overgelaten om voor het toezicht en handhaving gericht beleid te ontwikkelen en de functionarissen te benoemen die voor toezicht en handhaving worden toegerust.
Het totale pakket van preventieve en repressieve, al dan niet in een vergunning voorgeschreven voorzieningen bepaalt de omstandigheden waaronder een inrichting haar activiteiten mag uitvoeren en uiteindelijk de noodzaak tot de oprichting van een bedrijfsbrandweer en de omvang ervan. In het kader van het terugdringen van de lastendruk, zal het bestuur van de veiligheidsregio bij de aanwijzingsprocedure moeten nagaan hoe de preventieve en eventuele repressieve maatregelen zijn vastgelegd in de omgevingsvergunning. Aansluitende repressieve maatregelen zoals de aanwijzing van een bedrijfsbrandweer moeten in dit licht worden bezien.

